Sector
  • Vmbo onderbouw
  • Havo onderbouw
  • Vwo onderbouw
  • Gymnasium onderbouw
Leerplankundig thema
  • Kennisbasis

Waar komen we de denkwijze tegen?

14-2-2017

In het dagelijks leven

Bij het bestraten van een plein hoef je geen rekening te houden met de kromming van de aarde, de afstand naar Parijs wordt niet uitgedrukt in cm en een watermolecuul is zelf niet nat. In veel situaties is het handig om na te denken over de schaal van voorwerpen en processen. Sommige dingen zijn te klein of te snel om direct waargenomen te worden, zoals griepvirussen in een druppel speeksel; andere zijn te groot of te traag, zoals de verwering van een berg. Verschijnselen die op een andere schaal plaatsvinden kunnen soms te verwaarlozen zijn - een metalen oppervlakte voelt glad aan ondanks de bergen en dalen op atomair niveau - en soms juist heel belangrijk – de bewegende elektronen die onze lampen en smartphones aandrijven zijn niet zichtbaar, maar wel van fundamenteel belang voor de werking van deze apparaten. Vaak is het zo dat een concept maar op één schaal zin heeft; zo kun je niet spreken van de temperatuur van een los molecuul.

 
In de natuurwetenschappen geven we grootheden vaak kwantitatief weer. Daarbij is het van belang om een geschikte eenheid te kiezen die past bij de schaal van hetgeen je onderzoekt: op een bouwtekening van een huis worden de afstanden gegeven in centimeter maar de afstanden tussen de planeten druk je uit in Astronomische Eenheden. Zodra grootheden in getallen worden uitgedrukt kun je ook goed kijken naar de verhouding van eigenschappen. Soms blijft die verhouding hetzelfde, zoals de verhouding tussen de massa en het volume van verschillende ijzeren voorwerpen en soms verandert die verhouding, zoals de verhouding tussen het vleugeloppervlakte en de massa van gelijkvormige vogels.
 

Op school

Bij verschillende vakken hebben verschillende schalen de overhand. Binnen de scheikunde wordt voornamelijk gekeken naar de microschaal van atomen en moleculen. Met het gedrag van atomen op deze schaal worden reacties en stofeigenschappen, die op het macroniveau zichtbaar zijn, verklaard. Bij aardrijkskunde wordt juist meestal gekeken naar zaken die veel groter zijn dan de mens – bergen, werelddelen – en processen die veel trager gebeuren dan op de menselijke schaal – platentektoniek, verwering –deze processen bepalen vaak hoe de wereld er op de menselijke schaal uitziet. Bij biologie komen zowel kleine als grote zaken, cel en ecosysteem, aan de orde en zowel snelle als trage processen, zenuwimpuls en evolutie. Ook de natuurkunde beschrijft zowel kleine als grote systemen, waarbij de natuurkunde begint bij het allerkleinste, quarks en gluonen, en doorgaat tot het allergrootste, het universum zelf.